Behandelingen
Chemotherapie
Chemotherapie betekent eigenlijk het behandelen van een ziekte met scheikundig bereide stoffen. Stoffen die bij chemotherapie worden gebruikt zijn vaak zeer giftig. Dit betekent dat chemotherapeutische middelen (cytostatica) behalve kwaadaardige cellen ook de gezonde lichaamscellen aantasten.
Chemotherapeutische middelen komen via de bloedbaan in het hele lichaam. Daardoor kunnen ze behalve de tumor, ook op eventuele uitzaaiingen op andere plaatsen in het lichaam inwerken.
Tumorcellen hebben de eigenschap zich snel te delen en juist op die celdeling werkt de cytostatica in. Jammer genoeg zijn er in ons lichaam weefsels en organen die ook snel delen: het beenmerg, het slijmvlies (van het hele spijsverteringskanaal), de geslachtsorganen en het haar. Deze organen en weefsels zijn dus ook erg gevoelig voor chemotherapie.
Hoe groot die gevoeligheid is, valt op voorhand moeilijk te zeggen en is individueel verschillend. De laatste jaren zijn er wel betere medicijnen ontwikkeld die deze nevenwerkingen tegengaan. Misselijkheid en braken kunnen met de huidige medicijnen goed tegengegaan worden.
De nevenwerkingen worden bij de opname uitgebreid besproken.
Targeted therapie
Targeted therapie bestaat uit toediening van monoclonale antistoffen die specifiek gericht zijn tegen receptoren op tumorcellen. Dit wordt meestal in combinatie gegeven met chemotherapie om zo het effect hiervan te versterken.
Deze therapie is minder toxisch dan chemotherapie voor de rest van het lichaam en geeft geen haarverlies.
Als mogelijke nevenwerkingen van deze therapie weerhouden we een acute allergische reactie waarvoor steeds voorbereidende medicatie zal gegeven worden.
De meest gebruikte monoclonale therapie in hematologie is Mabthera (anti-CD20 antistoffen) blij lymfoombehandeling.
Stamceltransplantie
Stamcellen zijn lichaamscellen die onbeperkt kunnen delen en zorgen voor de aanmaak van gespecialiseerde cellen zoals bijvoorbeeld hartspiercellen, bloedcellen (rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes) of huidcellen. Stamcellen spelen een hoofdrol bij de ontwikkeling van een mens.
In elk orgaan en weefsel zijn stamcellen aanwezig die instaan voor het herstel.
Er bestaan 2 soorten stamceltransplantatie in hematologie namelijk autologe en allogene transplantatie.
Bij autologe stamceltransplantatie worden bij de patiënt stamcellen verzameld om vervolgens na intensieve chemotherapie te worden teruggegeven. Deze behandeling wordt in het Jessa Ziekenhuis, campus Virga Jesse te Hasselt uitgevoerd.
Bij allogene stamceltransplantatie worden bij een donor stamcellen verzameld om deze vervolgens aan de patiënt te geven na voorbereidende chemo- en/of radiotherapie. Deze behandeling wordt in het UZ Leuven uitgevoerd.
Autologe stamceltransplantaties worden meestal bij multiple myeloom of lymfoom uitgevoerd. Hierbij is er de mogelijkheid om heel intensief chemotherapie te kunnen toedienen. Omdat dit gepaard gaat met ernstige beenmergschade dienen van tevoren verzamelde stamcellen van de patiënt teruggegeven te worden. Door teruggave van eigen stamcellen zal daarna de bloedaanmaak weer hersteld worden.
De opnameduur bij de autologe stamceltransplantatie zal ongeveer 4 weken duren afhankelijk van de conditie van de patiënt en de snelheid van herstel.
De nevenwerkingen bij deze behandeling zijn moeheid, misselijkheid, verlies van eetlust, haarverlies, kapotte slijmvliezen met een pijnlijke mond en vooral diarree, infecties.
Tijdens de periode van neutropenie (of lage witte bloedcellen) na de chemo en voor herstel van de WBC na toediening van de stamcellen dient patiënt in omgekeerde isolatie verzorgd te worden en kan er geen bezoek op de kamer ontvangen worden.
Radiotherapie
Leest u verder in het onderdeel radiotherapie van deze website.



